De vaststelling dat gemiddeld 1 kleuter op 5 thuis vooral een andere taal dan het Nederlands hoort opende op 1 september De Morgen en kwam in alle journaals. Al in de aanloop naar het nieuwe schooljaar is taalachterstand naar voren geschoven als dé verklaring voor de haperende uitstroom van het middelbaar onderwijs.
1 jongere op 7 haalt geen middelbaar diploma. Hierbij zijn buitenproportioneel veel jongeren van allochtone afkomst; er mogen inderdaad vragen gesteld worden. Maar terwijl het debat over de hervorming van het middelbaar onderwijs werd opengetrokken naar het lager en het kleuteronderwijs, werd de focus vernauwd tot jongeren met een andere moedertaal dan het Nederlands.
Wie er de interviews van de afgelopen weken op naleest, moet wel tot de conclusie komen dat “taalachterstand” de belangrijkste oorzaak is van ongelijkheid in het onderwijs en de samenleving. De aandacht werd met andere woorden verlegd van de falende emancipatie door het onderwijs, naar de “tekortkomingen” van allochtone leerlingen en hun omgeving.
En dus waren op deze eerste schooldag alle schijnwerpers gericht op de taalachterstand van allochtone kinderen. Vanaf dit jaar is het zo goed als verplicht dat kinderen in de derde kleuterklas zijn ingeschreven, vooral om hun Nederlandse taalkennis te verbeteren.
Minister van Onderwijs Pascal Smet schermde bovendien met “de engagementsverklaring voor ouders om van het Nederlands een speeltaal, een liefdetaal, ...” te maken en het hoofd van het katholiek onderwijs Mieke van Hecke hamerde erop dat het Nederlands ook in de vrije tijd moet gebruikt worden. Twee weken eerder kloeg ze ook al over het falende middenveld bij de taalverwerving van allochtone jongeren. “Heel belangrijk voor deze operatie gelijke kansen is het middenveld. Dat is hét zwakke punt in dit geval. Bij de democratisering van het onderwijs was er een middenveld dat de arbeidersgezinnen van het belang en de goede bedoelingen van het onderwijs ging overtuigen. Voor deze groepen is er geen middenveld dat dit gezagvol kan doen, dat gezinnen leert wat daarvoor nodig is en durft en mag zeggen dat ze naar Ketnet moeten kijken, vóór ze de tv-zenders uit hun thuisland opzetten.” (DS 21/08)
Het valt het op dat deze uitspraken ervan uitgaan dat allochtone ouders zich zonder druk van buitenaf niet echt inspannen voor de opleidingskansen van hun kinderen, en dat de allochtone gemeenschappen geen kansen bieden om Nederlands te spreken. Dit is een jammerlijke miskenning van het werk van duizenden allochtone (en autochtone) vrijwilligers die zich elk schooljaar inspannen om de onderwijskansen van anderstalige jongeren te vergroten.
Er zijn de allochtone studentenverenigingen die voor en tijdens de examenperiodes info-avonden voor allochtone ouders organiseren, de verenigingen waar allochtone studenten vrijwillig allochtone scholieren helpen bij hun huiswerk, organisaties die bemiddelen tussen CLB's of scholen en allochtone ouders, de organisaties die allochtone ouders informatie en middelen aanreiken om de opvoeding van hun kinderen meer ter harte te nemen, ... Daarenboven zijn er de zelforganisaties als de Gouden Meridiaan (zie verder) die zijn opgericht door bekommerde ouders die leerkrachten betalen om de schoolloopbaan van hun kinderen beter te begeleiden dan ze zelf kunnen.
Zonder uitzondering bieden deze initiatieven extra Nederlandse lessen aan, het merendeel kiest bewust voor Nederlands als voertaal. Wie beweert dat de allochtone gemeenschappen geen aandacht aan het Nederlands besteden in hun vrije tijd, slaat de bal dus compleet mis. Het is eens zo jammer dat de toegenomen aandacht voor de onderwijskansen van allochtone jongeren er niet toe leidt dat deze initiatieven aan het woord komen. De belangrijkste betrokkenen worden ook in dit debat over het hoofd gezien, en eens te meer haalt foute beeldvorming het van de realiteit.